Blog

Martinique

10-03-2014 15:50

Ik kijk op mijn horloge. Vijf uur. Vlak voor me meert de zoveelste chartercatamaran af aan de steiger. Daarachter begint het mastenwoud. En daar weer achter het azuurgroen van de baai die omringd is door mangrove bos, groene heuvels en in de verte een palmenstrand. Ergens daar hoor ik voor anker te liggen. Hoogstens met uitzicht op de geciviliseerde wereld. Niet er middenin.

Een man rolt een handkar volgeladen met treetjes bier in de richting van de catamaran. Onhandig klimt een dikbuikige, roodverbrande toerist van de catamaran op de steiger. Enthousiast zwaait hij naar de man met de kar. Op het achterdek van de cat verschijnen nog meer mannen met door bier geboetseerde lichamen.

 

‘Het zal wel weer zo’n charterboot zijn,’ zegt Jelmer.

Ik knik. Voor ons kruipt een zeilloze charter catamaran traag door het water. Ondanks de prachtige zeilomstandigheden – windkracht zes a zeven, een vrij rustige zee, strakblauwe hemel – hebben maar een paar van de boten die we vandaag tegenkomen hun zeilen gehesen. De rest motort.

‘Het zijn geen echte zeilers. Ze durven dit niet aan.’

‘Watjes zijn het,’ beaam ik. Met sterk gereefde zeilen schiet de Kairos door het helderblauwe water. Na de oversteek voelt dit als een dagje Loosdrechtse plassen.

In zestien dagen waren we aan de overkant. Gemiddeld dertig knopen wind. Vaak teveel voor de autopilot of windvane. We hebben afgezien, maar wat was het mooi.

Ik lik het zout van mijn lippen. Het voelt inmiddels natuurlijk.

‘Ik zie de groene boei!’ zegt Jelmer.

Ik volg zijn uitgestrekte arm en zie de boei nu ook. De ingang van de baai van Cul du Marin. Voor het eerst in een kleine maand zal de Kairos weer in een marina liggen. Eventjes maar. Net lang genoeg om even goed in te kopen bij de Carrefour en het een en ander te regelen bij de watersport winkels.

 

De vlezige man op de steiger maakt een gat in het plastic van een van de treetjes en peutert er een blikje uit. Trots houdt hij het omhoog naar zijn vrienden. Alsof het een tonijn van twee meter is die hij net met eigen handen uit de zee heeft getrokken. Hij trekt het lipje open en zet het blikje met een gelukzalige blik aan zijn lippen. Zijn vrienden lachen.

 

Eindelijk. Ik kan weg uit de marina. Tevreden neem ik de boot in me op. Alles wat geregeld moest worden is geregeld. Het verrotte leertje van de watertankflotter is verwijderd en door een nieuwe rubberafdichting vervangen; in de kuip is een bekerhouder geïnstalleerd zodat de koffie niet meer rond vliegt; ik ben de mast in geklommen om de verstaging met zoet water schoon te maken en de door Saharazand en -ijzerdeeltjes veroorzaakte roestvlekken te verwijderen; de gebroken leuver van het grootzeil is vervangen; ik heb een nieuw drinkwaterfilter geïnstalleerd; het kleine probleem in de communicatie tussen de GPS en de autopilot is verholpen; de ruimte boven de compressor is zo aangepast dat de warme lucht makkelijker kan ontsnappen (en de compressor dus minder lang hoeft te draaien en minder stroom verbruikt); er zijn reserve lijnen en een “tripline” gekocht; mijn zeilpak is met speciaal wasmiddel gewassen; alle kleren en lakens zijn gewassen; de slaapzak heeft twee dagen in de mast gehangen om te luchten; twee kleine lekken in de ankerbak zijn gedicht; en in de Carrefour en de Leader heb ik een enorme dosis nieuwe voorraden ingekocht.

Alleen de peddel. Op de benefiet BBQ voor de anti-diefstal brigade in de baai van Portsmouth (Dominica) is een van de twee gejat.

 

Inderdaad: behoorlijk ironisch.

 

De Bombard dealer was net door zijn voorraad heen. De nieuwe lading komt pas volgende week binnen. Zinloos om er hier op te wachten. De komende dagen ga ik zeilen. Volgende week kom ik wel terug om hem op te halen. Nu eerst terug naar het goede leven. ’s Ochtends, met de slaap nog in de ogen, van de boot afspringen. Een half uurtje zwemmen als ochtendgymnastiek. In een idyllische baai. Dan het anker lichten. Laat in de middag aankomen op een nieuwe droomlocatie. Ankeren. Zwemmen. In het late avondlicht in een paar minuten op het dek opdrogen. Dan een biertje. Genieten van de spectaculaire zes uur show van de zon. Vervolgens koken. Een op de lokale markt gekochte mahi mahi (vis) bijvoorbeeld. Daarbij wat rijst, ui en avocado. En als toetje gebakken banaan zwemmend in honing.

Er steekt een lekker briesje op. De windgenerator begint tevreden te zoemen. Ik kijk hoe de steeds sneller ronddraaiende rotorbladen doorzichtig lijken te worden.

Beeld ik het me in? Wiebelt de generator meer dan anders? Ik kijk nog eens goed. Er klopt iets niet. Ik ga de kajuit in en zet de windgenerator uit. Vervolgens klim ik op de reling om de beugelconstructie waarop de generator staat goed te bekijken.

Verdomme! De lasnaden waarmee het voetstuk aan het frame vast zit zijn grotendeels gebarsten. Fijn stukje Hollands vakwerk. Bij de eerste de beste harde windstoot dondert de windgenerator het water in. Voorlopig kan ik hier nog niet weg.

 

Aan de tafel naast de mijne kijkt een man naar zijn horloge. Gehaast staat hij op en gebaart naar de serveerster.

Alweer een week zit ik hier nu. Het is alsof iemand mij wil beletten mijn reis voort te zetten. Bij Homerus was het een beeldschone koningin. Ik moet het met een potige kerel met grote tatoeages doen.           

Uren, dagen, weken -  ik was er niet meer mee bezig. Sinds de overtocht was er alleen nog kairos, geen chronos.

Maar nu bestaat chronos weer. Hij glijdt weg. Terwijl ik hier maar in deze marina vast zit.

Zoet water, elektriciteit, internet – het is er wanneer ik maar wil. Vrijwel elk product dat ik maar kan verzinnen is hier te koop. En toch is het allemaal waardeloos. Ik wil zeilen, de Carieb verder verkennen.

Op zee bestond tijd niet. We moesten zeilen, slapen, eten, en drinken. Meer was er niet. Het was intensief en vermoeiend, maar de voldoening die het gaf was onbeschrijflijk. En nu? Nu rotten de dagen weg. Net zoals ze dat konden doen tijdens een oninteressante interim opdracht. Vroeger, in mijn vorige leven.

Tijd ervaar je alleen als je hem verdoet.

 

‘Dengue.’

Ik kijk het meisje achter de balie van de marina ongelovig aan. Ze heeft hem net gebeld.

‘Il disait qu’il a dengue,’ zegt ze nogmaals.

Zo te zien plaatst ook zij vraagtekens bij deze mededeling. Ik zie de lasser die het voetstuk van de windgenerator zou repareren weer voor me. Een soort getatoeëerde Jerommeke. Eergisteren leek hij nog kerngezond. Vandaag is hij te laat omdat hij dengue heeft. Om 1 uur zou hij aan de slag gaan. Om twee uur zou ik kunnen uitvaren, had hij me bezworen.

Ik kijk op mijn horloge. Twee uur.

Het meisje kijkt me begripvol aan. ‘Il m’a promis d’être chez vous a seize heures.’

 

Vier uur, geeft mijn scheepsklok aan. De lasser is in geen velden of wegen te bekennen. Misschien komt hij iets later. Geïrriteerd probeer ik tijd te doden door een boek te lezen. Het boek trapt er niet in.

Om half vijf wordt er op de boeg geklopt. Hoopvol steek ik mijn hoofd door het luik. Er staat een zwerver. Vieze dreadlocks, verschoten kleren en een paar hele enge ringen op net zo enge plekken. Hij zwaait met het nieuwe voetstuk voor de generator. Geen zwerver kennelijk, maar een vriend van Jerommeke.

De lasser ligt nog ijlend in bed, vertelt de als zwerver verklede man. Maar morgenochtend is hij beter! Dan komt hij om tien uur langs om het voetstuk op het frame te lassen. Echt!

 

Ik neem nog een slok van mijn biertje. Het magische gevoel van de oversteek; het kost me moeite het weer op te roepen. Ik staar over de baai. Daar, in de verte, ligt ze. Ze lijkt zo ver weg. De eigenzinnige en temperamentvolle minnares met wie ik ruim twee weken een intensieve affaire heb beleefd. Ik haal mijn tong over mijn lippen. Niets. Geen spoortje zout. Ze weet niet eens meer wie ik ben. Het was een droom en lijkt dat nog steeds.

 

‘Du sagest,’ zingt Jezus. In het sterrenbeeld Orion valt een ster. In het kielzog fonkelt een spoor van planktonsterretjes.

Ik heb het kleine houten stuurwiel stevig vast. De drie Noren liggen te slapen. De Kiwi is net de kajuit in verdwenen en zal zometeen ook op een oor liggen.

Dit voelt onwerkelijk. Het is gelukt. Ik ben bezig de Atlantische oceaan over te zeilen. Meegelift als bemanning. Met vier mensen die ik nauwelijks ken.

Eens… eens zal ik dit met een eigen boot doen.

Ik zet het volume van mijn minidisk speler iets harder.

Alleen op de wereld. Met de onwerkelijke schoonheid van de oceaan, sterrenhemel en  de Mattheus Passion.

 

‘Du sagest.’ Het is alsof alle schoonheid zich in een punt concentreert. Hier. Midden op de Atlantische Oceaan. Onder deze duizelingwekkende sterrenhemel. Nu. Alleen voor mij. Ik kan wel huilen van schoonheid.

Ruimte en tijd convergeren. 2002 en 2104. Ik ben hier en ook daar. Op de Lady Domina en de Kairos. De Mattheus Passion klinkt tegelijkertijd uit mijn minidisk speler en mijn Ipod. Wat ik achter het ene stuurwiel droom, doe ik achter het andere.

 

Muzaq druipt uit de boxen van het café. De dikbuiken zitten inmiddels allemaal met een biertje in de hand op hun boot. Ik kijk op mijn horloge. Half zes. Vanochtend dacht ik nog dat ik nu verderop voor anker zou liggen. Nu zit ik hier nog minstens een dag extra. Een niet zeilende zeiler. Net als de dikbuiken.

 

Ik druk op de standby knop. Dan beweeg ik snel naar het stuurwiel en klim er achter. Autopilot klem los en wiel in de hand. De boot is aan mij overgeleverd. Ik kijk om me heen. De zee is nog steeds ruw. De golven groot. Hier en daar breekt er een. Pal voor ons hangt de volle maan. Hij heeft de hele wereld in zilver licht gedrenkt. Het maakt de schoonheid onwerkelijk.

Het maanlicht trekt een pad van kolkend zilver over het golvenlandschap voor me. Precies de koers die we moeten varen. Met ruim zes knopen snijdt de boeg van de Kairos het pad in tweeën. Ik hou het wiel stevig vast. Het leer dat eromheen is gespannen, begint gladder te worden. Het voelt goed aan.

De boot wordt door een grote golf opgetild. Even zijn we boven de andere golven verheven. Dan duikt de boeg voor me de diepte in. Hij wijst nu minstens 45 graden naar beneden. Mijn adem stokt. De boot accelereert fel. Ik stuur naar stuurboord, zodat we niet recht het golfdal in duiken. Meteen doet de boot wat ik wil. Ik leun naar bakboord.

We dansen. Net als vroeger op mijn zinkertje in de branding van Bloemendaal. Beheerst stuur ik weer bij naar bakboord. Nu hang ik de andere kant op. Voor me zie ik het zilveren water van de boeg spatten. Daarachter rollen de zilvergrijze golven in het maanlicht voor ons uit.

Het is alsof ik de adrenaline door mijn aderen voel kolken. Ik surf. Midden op de Atlantische oceaan. Tussen de metershoge golven. Badend in maanlicht. Met een surfplank van ruim tien meter. Jelmer en ik zijn de enige mensen in honderden, misschien wel duizenden mijlen. De Kairos de enige boot. De wereld is er voor ons alleen.

 

‘Menno! Menno!’

Vertraagd dringt Jelmers stem tot me door. Ik sliep. Eindelijk! Voor het eerst in 5 dagen. Ik kijk op mijn horloge. Vijf uur ’s ochtends. Om vier uur eindigde mijn wacht. Erg lang heb ik dus niet geslapen. Voorzichtig klim ik uit bed. De boot beweegt alle kanten op. De zee is kennelijk weer ruwer geworden.

‘Wat is er?’ roep ik richting de kuip.

‘We gaan weer richting de 40 knopen. We moeten de stormfok zetten.’

‘Ik kom er aan.’

Ik trek een T-shirt aan en probeer mijn korte broek aan te krijgen. Een paar keer word ik bijna door de kajuit gekatapulteerd. Als het eindelijk gelukt is, ga ik op de grond liggen om de broek van mijn zeilpak aan te hijsen. Dan de jas. Een grote golf gooit me tegen kastjes onder het aanrecht. Weer een blauwe plek. Ik ben de tel al lang kwijt. Nu mijn harnas nog. Mezelf goed vasthoudend aan de handvaten bij de ingang klim ik de kajuit uit. Jelmer staat achter het wiel. Ik kijk op de windmeter. 37,8. 40,2. 38,9. Windkracht negen. De vierde opeenvolgende nacht al. De stormfok ligt nog klaar op het dek. Ook de kotterstag hebben we laten staan.

‘De autopilot trok het niet meer, neem ik aan?’

‘Inderdaad. Veel teveel zeil. Ik sta al een uur zelf te sturen. Maar nu gaat het echt te hard waaien voor de gereefde genua.’

Ik haal de schoot uit de klem, hou hem stevig onder spanning en geef hem aan Jelmer. Met een hand houdt hij hem strak vast terwijl hij met de andere stuurt. Snel klim ik naast Jelmer achter het wiel. Ik probeer de reeflijn van de genua uit de klem te trekken. Er staat enorme spanning op. Met moeite krijg ik hem los.

‘OK!’ roep ik. ‘Laat maar vieren.’

Voorzichtig laat Jelmer de schoot vieren. De genua begint woedend in de wind te klapperen. Het kost me grote moeite de reeflijn in te trekken. Uiteindelijk lukt het. De genua is nu strak op de voorstag gerold.

Ik kijk naar de instrumenten. Vier knopen snelheid. Zonder zeil. Net als met Marc, toen we naar de Kaapverden zeilden.

Ik klim achter het wiel vandaan. Als vanzelf gaat mijn hand naar de zak op mijn knie. Hij zit er - het lijntje om de genua mee vast te zetten. Voordat ik in het gangboord klim, haak ik mezelf vast aan de lifeline. Dan kruip ik voorzichtig op mijn knieën naar de boeg.

Shit - weer vergeten om de kniebeschermers om te doen. Vooral mijn linker knie is inmiddels behoorlijk beurs. Net als mijn linker pols – die voelt alsof hij licht gekneusd is. Om de een of andere reden vang ik daar alle klappen mee op. Al dagenlang wordt ik in de boot alle kanten op gesmeten.

Misschien is dat wel het vermoeiendst van het op zee zitten – dat alles altijd maar beweegt. En vaak vrij gewelddadig bovendien. Natuurlijk zit er meestal een bepaald ritme in de bewegingen. Maar ze zijn ook vaak onverwacht. Dan denk je dat je stevig tussen mast en aanrecht geklemd staat terwijl je met een washandje probeert jezelf te wassen. Een hand aan een handsteun. Een voor het wassen. Een voet op de pedaal waarmee het water wordt opgepompt. En dan plotseling een golf waardoor je je houvast verliest en je hard met je hoofd tegen een kastrand klapt.

Ik ben bij de stag. Voorzichtig ga ik staan; de stag omhelzend alsof het mijn geliefde is. Plotseling verdwijnt het dek onder mijn voeten. De boot kantelt en duikt een golfdal in. Ik draai een pirouette om de stag. Met een klap raakt de boeg het water. Mijn voeten hervinden het dek. Ik heb de stag nog stevig vast. Water spuit aan alle kanten om me heen.

Mijn hart schiet in overdrive. Dit is pas leven! ‘Jihaaaaa!’ schreeuw ik de wind en het water toe.

Tussen de heftigste bewegingen door knoop ik de schoten los. Ik haal het lijntje uit mijn kniezak. Het gaat door het leioog en om de genua, zodat die niet kan uitrollen. Nu weer met de schoten terugkruipen naar de kotterstag. Ik trek het zeilbandje om de stormfok los en prop het in mijn kniezak. De schoten zet ik met een paalsteek aan het leioog vast. Nu naar de mast kruipen. Weer een omhelzing. Nu van de mast. Ik maak de val los en klem het uiteinde stevig tussen mijn tanden. Nu weer terugkruipen naar de kotterstag. Val vastzetten op het zeil. Terug naar de mast.

‘Ben je d’r klaar voor?’ schreeuw ik naar Jelmer terwijl ik de mast omklem.

Door het huilen van de wind kan ik zijn antwoord niet horen, maar ik zie hem knikken. Ik laat me op het dek zakken. In een paar snelle bewegingen trek ik de val omhoog. De stormfok staat. Ik zet de klem van de val vast. Ondertussen trekt Jelmer de schoot aan. Ik schiet de val op en hang hem aan de kikker aan de mast. Dan weer terug naar de veiligheid van de kuip.

‘Vijfeneenhalve knoop!’ roept Jelmer, ‘en zo stuurt het weer prima.’

‘Mooi! Dan kan ik weer gaan tukken.

 

‘Encore une?’

Vragend kijkt de serveerster me aan.

Vertraagd dringen haar woorden tot me door. Ik knik.

Ze pakt mijn lege glas op en neemt het mee. De Muzaq is inmiddels door Carla Bruni vervangen. Regen en drup en zo.

Ik moet een nieuw blog schrijven. Over de oversteek. Al dagen zeurt die gedachte door mijn hoofd.

Maar het is niet te doen. Het is niet uit te leggen.

Het is liefde. Gepassioneerde, genadeloze liefde. Die kan je alleen maar beleven.

Ik zou kunnen schrijven over de blauwe plekken. De ellende van het koken op een wild bewegend schip. De vermoeidheid. De angst om een rib te breken terwijl je probeert naar de WC te gaan in een minisauna die alle kanten op vliegt. De 49,6 knopen die de windmeter aantikte. De 11,1 knopen snelheid waarmee we van een wel heel grote golf afdenderden. De kleffe plakkerigheid van een in zout geweekte wereld.

Over de totale duisternis van een maan- en sterrenloze nacht. De schoonheid van de Atlantische sterrenhemel, of een vallende ster. De dreiging van een naderende squall. De met de boot meezwemmende walvis. De haai die dreigend ronddobberde. Het alleen maar bezig zijn met de natuur, eten, drinken, zeilen en de boot. Het twee weken gemiddeld acht uur per dag achter het wiel staan en er nog lang geen genoeg van krijgen. De tijd die is teruggebracht tot het onderscheid tussen dag en nacht.

Maar dan weet je nog niets.

De kinderlijke verwondering, de spanning, de extase en schoonheid - die is niet over te brengen. Het is het geheim van degenen die het hebben beleefd.

Magisch is het. Veel verder kom ik niet.

 

De windgenerator zoemt. Uit de verte komt het geluid van de op de rotsen brekende golven. Kleine golven lispelen tegen de boot.

De Kairos dobbert rustig achter haar anker. In een verder verlaten Baie des Anglais. Onder een Caribische sterrenhemel.

Mijn zwembroek hangt aan de reling te drogen. Door de kajuit zweeft de zoete geur van gebakken banaan. 

Mindelo

01-02-2014 18:04

Vijfenveertig knopen wind geeft de windmeter aan. Een nieuw record. Gelukkig lig ik veilig in de marina van Mindelo. Nou ja - relatief veilig.

Een soort basecamp is het. Mooi acclimatiseren. Een tussenstation tussen het leven op de wal en dat op zee.

Weer een felle ruk aan een van de landvasten. Ik moet mezelf goed vasthouden om niet om te vallen terwijl ik met mijn mok koffie naar de kaartentafel loop.

Vannacht was het veel erger. Geen flight-, maar een sailsimulator. De combinatie van swell en harde wind leverde een behoorlijk realistische imitatie op van een op volle oceaan zeilende boot. Hooguit vier uur heb ik geslapen. Mijn acclimatiseringproces is nog niet afgerond.

 

Het anker krabt. Ik moet weg hier uit Boa Vista. Slapen lukt niet en is bovendien te gevaarlijk. Ik moet het krabben in de gaten houden. Tijd doden dus tot het licht wordt. Ik trek de Ipad tevoorschijn. Een mail van de Duitse eigenaar van de marina in Mindelo. Hij bevestigt dat het geen enkel probleem is. De nieuwe waterpomp heeft hij op voorraad en zal hij voor mij apart leggen. Drive belts heeft hij niet meer, maar hij heeft er nu vier in Duitsland besteld. Als ik over anderhalve week in Mindelo aankom, zullen die zeker binnen zijn, schrijft hij.

 

Van achter het stuur van zijn Toyota busje neemt hij mij even in zich op. ‘Aujourdhui no collectivo,’ zegt hij dan heel stellig. Net als op de meeste andere eilanden wordt hier op Sao Antao elke blanke geacht frans te zijn of in ieder geval spreken.

Het pleintje is, op deze aluguer na, uitgestorven.

‘Taxi. No collectivo. 4.000 escudos,’ vervolgt hij. ‘Si voulez aller ferry pour Mindelo, necessitez taxi.’

Ja, ik moet terug. Mijn weekendexcursie van Mindelo naar buureiland San Antao zit er om vijf uur vanmiddag op. Dan moet ik op de ferry zitten. Maar veertig euro? Tien keer de collectivo prijs?

Ik glimlach zoals ik me voorstel dat een doorgewinterde wereldreiziger in dit soort situaties glimlacht. Een globetrotter die zich als een kameleon aan zijn nieuwe omgeving aanpast. Iemand die zich niet laat verneuken.

Ik heb al geoefend met de glimlach. Op Sal bijvoorbeeld, een paar weken geleden. Tien euro wilde de taxichauffeur hebben voor de rit naar het vliegveld. Zeven euro leek mij meer dan genoeg. Ik glimlachte de glimlach. Zeven duizend escudos, geen cent meer, zei ik onverbiddelijk. Hij ging ermee akkoord. Toen ik allang weer afscheid had genomen van de vriendelijk lachende chauffeur, realiseerde ik me dat een euro 100, en niet 1.000 escudos waard is.

Ik ben inmiddels wat beter ingevoerd. Ik kijk de Toyota chauffeur aan. Hij weet het en ik weet het. Aluguers rijden op de Kaapverden altijd en overal. Ik kijk op mijn horloge. Twee uur. Ik loop gewoon terug naar Ribeira Grande. Mocht er onderweg een aluguer voorbij komen, dan pak ik die. Gebeurt dat niet, dan zal er uit Ribeira Grande wel een vertrekken. Tijd genoeg.

 

Ik spring van de boeg op het ponton. Op mijn knieën inspecteer ik de landvasten. Ze schavielen. Na een nacht in de marina van Mindelo is het al duidelijk te zien. Met die rukwinden en swell hier kan het ook niet anders. Ik moet ze straks vervangen door mijn “heavy-duty” afmeer-setje. Dikke landvasten met grote schokdempers ertussen. De landvasten die ik nu gebruik zouden het hier hooguit nog een paar dagen volhouden.

Ik ga weer staan. Plotseling wordt het ponton onder me weggetrokken. Bijna donder ik in het water. Als ik mijn evenwicht heb hervonden, ga ik wijdbeens staan en bestudeer het ponton. Het zigzagt als een epileptische slang voor me uit. De woest aan de kikkers trekkende landvasten van afgemeerde boten rukken het ponton alle kanten op. Nu zie ik pas dat het niet aan palen vast zit. De pontons worden kennelijk alleen door ankers op hun plaats gehouden.

Als een zeeman die zich na maanden op zee eindelijk weer tot in de kleine uurtjes heeft kunnen laten vollopen, loop ik slingerend het ponton af, naar de “Ship Shop.”

‘No, sorry. The drive belts have not yet arrived. No idea when they will.’ Het vriendelijke gezicht van de jongen achter de toonbank kijkt me meelevend aan.

‘Hmm, that’s bad news. I really need to get a spare before I leave in two weeks.’

Zijn gezicht licht op. ‘No problem! That’s more than enough time to get them here. Don’t worry, we’ll get the spare for you.’

‘Great. Then I’ll just start with installing the water pump you set aside for me.’

‘Huh?” Zijn gezicht betrekt weer.

‘The pump I ordered from your boss almost two weeks ago. He said he had it in stock and would set it aside for me. I would like to pick it up now.’

‘Hmm. We don’t have any pump here in the shop. Maybe in the warehouse. I’ll check and let you know tomorrow.’ 

 

Ik hou mijn kop koffie stevig vast terwijl ik achter de kaartentafel ga zitten. Buiten fluit de wind langs de mast. Zoals gebruikelijk. Voor me ligt de Ipad. Ik loop de “to do lijst” na. “Inkopen Houdbaar.” Ik zet er een vinkje voor. Gisteren heb ik de laatste voorraden houdbare proviand ingekocht. Veel blikvoer, 90 liter drinkwater, tientallen liters sap en lang houdbare melk, 40 pakjes lang houdbare yoghurt, pasta, noodles, koekjes, chocola, enz. De dag voor vertrek koop ik al het “vers” in.

“Drive Belt” en “Waterpomp” - de volgende twee punten op de to do lijst. De rode draad van de afgelopen tijd.

 

Alweer iets geoefender loop ik over het slingerende ponton naar de Ship Shop. Ik ben benieuwd of de pomp inmiddels binnen is.

Hij komt me lachend tegemoet. ‘My boss is flying to Europe this morning. He brought the waterpump from the warehouse and dropped it off just before he went to the airport.’

Triomfantelijk overhandigt hij me een doos. Ik haal de pomp eruit. Er zitten een paar viezige strepen op en er klotst water in. Verder ziet hij er prima uit.

‘It isn’t new,’ zeg ik.

‘Yes it is. We just tested it to see if it works. That’s why it’s a bit dirty.’

‘Are you sure?’

‘Of course! But I’ll give you ten percent discount because it isn’t clean.’ Hij pauzeert even om dit goede nieuws te laten bezinken en vervolgt dan met een glimlach: ‘I have more good news. I just got a call from customs at the airport. The drive belts have arrived. They just need to be cleared through customs. You can probably pick up your spare drive belt tomorrow.’

 

Mijn globetrottersglimlach was terecht. Sinds mijn vertrek uit Punta do Sol zijn er al drie aluguers voorbij gekomen. Ik heb ze niet gevraagd mij mee te nemen. Ik wil nog doorwandelen. Ik heb nog wel even tijd.

De lucht is inmiddels grotendeels opgeklaard. De zee is nu weer diepblauw. En helder wit. Een schuimende massa. Vlak voor de kust zwellen de golven aan. Ze worden steil, krullen om tot een watergordijn dat even de zwaartekracht lijkt te tarten en klappen dan in een orgie van schuim en geraas om. Elke keer weer anders. Hypnotiserend.

Hier en daar breken golven op rotsen. Schuimend wit water spat hoog op - een waterballerina die vertraagd door de lucht lijkt te zweven.

Voorbij het diepe blauw, het schuimende wit en de rotsen rijst de kust steil op. Ruige bergen verdwijnen in de wolken. Roestbruine steenmassa’s bedekt met een nauwelijks zichtbaar laagje groen. Een groen donssnorretje. Dat zij leiden naar een verscholen paradijs, de groente- en fruitmand van de Kaapverden, is moeilijk voor te stellen.

 

Over het slingerende ponton loop ik weer terug naar de Ship Shop. Ik ben de hele dag bezig geweest met de pomp. Hij is net iets anders dan zijn voorganger. En dus was het niet makkelijk hem te installeren. Maar na eindeloos gepiel was het gelukt.

Ik duw de deur van de Ship Shop open. Een lichte bezorgdheid trekt over het gezicht van de Ship Shop jongen.

Ik leg de pomp op de toonbank.

‘It doesn’t work. No pumping. No water. Nothing.’

Hij kijkt me aan. In zijn blik is geen verbazing te bespeuren.

‘I will ask the people at the warehouse to get another one. You can pick it up tomorrow,’ zegt hij.

 

Bedwelmende schoonheid. Ik draai mijn hoofd. Het is alsof ik in een kijkdoos met verspringende beelden kijk. De ster in de ruit, precies voor mij, maakt het misschien nog wel mooier dan het al was. En dan ook nog eens die muziek.

In deze aluguer geen Adele. Hier wordt Kaapverdische muziek gedraaid. Warme, melancholische muziek over liefde, lijden, gemis. Ik kijk opzij, naar de chauffeur. Een jaar of zeventig schat ik. Grijs haar. Een mooi gezicht waar de vriendelijkheid in lijkt te zijn geëtst.

Ik kijk naar achter. Het is alsof we in een microcosmos over de weg rollen. Ons eigen perfecte miniuniversum. Niemand zegt iets. Er wordt alleen gekeken en geluisterd. Met een blik van intense tevredenheid.

Voor ons slingert de weg langs de steile rotskust. Rechts af en toe palmen en groene valleien die steil de bergen in kronkelen. Valleien zoals die van Paul, een weelderig groen paradijs waar ik gisteren vier uur prachtig wandelde. Links de woeste zee – brekende golven, schuimend wit.

De zangeres beweent haar verloren liefde.

Alles is schoonheid. We zitten er middenin. Ik kijk naar de chauffeur. ‘Impressionante,’ mompel ik tegen hem. Hij draait zijn hoofd even naar mij toe en glimlacht. Hij begrijpt wat ik bedoel.

 

Ik schroef het laatste schroefje vast. Tevreden kijk ik naar de korte stang die uit de spleet onder het aanrecht uitsteekt. Ik schuif de rubber pedaal erop. Eindelijk! Weer een werkende zoutwaterpomp. Nu kan ik weer afwassen zonder van buiten emmertjes zout water te hoeven halen. In de haven of voor anker gaat dat nog wel, maar straks op zee niet. En juist dan moet er zo min mogelijk drinkwater worden verspild.

De havenmeester bleek nog een tweedehands waterpomp te hebben liggen. Met een slang en een emmer water demonstreerde hij dat de pomp werkte. Voor dertig euro mocht ik hem hebben. Zo is het probleem van de onvindbare waterpomp van de Ship Shop eindelijk opgelost. Vier dagen achter elkaar krijg ik al hetzelfde te horen.

‘Yes, it is in the warehouse. For sure, don’t worry.’

‘No, nobody knows where in the warehouse. Only the boss knows. But he is travelling in Europe.’

‘No, I haven’t been able to discuss this with the boss. Maybe tomorrow.’

Ik zet mijn voet op de pedaal en pomp een paar keer. De kraan sputtert. Lucht, en … ja, daar komt het – water! Hij werkt! Voldaan pomp ik het zeewater uit de kraan. Weer een vinkje op de to do lijst.

Ik buk me om het op de vloer liggende gereedschap op te ruimen.

Het is alsof ik het publiek hoor bulderen.

Een slapstick. Ik had het kunnen weten. Het was te makkelijk. De schroevendraaiers liggen in een plasje water. Het komt van de pomp. Hij lekt. Bij de demonstratie vanmiddag was dat niet te zien. Terug bij af.

 

Ik neem een slok koffie en zet de mok terug op de kaartentafel. Eerder deze week heb ik ontslag genomen. Voor mij geen rol meer in de grote Ship Shop klucht. Overmorgen komt Jelmer aan. Met een nieuwe, wel werkende, waterpomp en een reserve drive belt. Gewoon in Nederland gekocht. Als we dan ook het verse voedsel hebben ingeslagen, staat er een vinkje voor elk punt op de to do lijst.

Nog drie dagen. Dan is het zo ver. Dan verlaat ik samen met Jelmer de Kaapverden. Geen Sailsimulator meer. Eindelijk het echte werk. De Atlantische oceaan over!

Tarrafal

14-01-2014 00:00

Verlaten. Al jaren, zo te zien. Geen daken meer op de huizen. Gaten in de muren. Het zijn ruines. Indiana van Loon and the lost city of Ribeira Funda.

Ik ga met mijn rug tegen de koele stenen van een afgebrokkelde muur zitten. Onder me beukt de Atlantische Oceaan op de keien van het strand. Een golf breekt en rolt weer van het strand af. Keien rollen er achteraan. Het klinkt als applaus.

Alweer ruim een maand onder weg. Pieken en dalen. Op zee is er geen keus. De pot die moeder natuur schaft zul je eten. Extremen. Het soort dat je nodig hebt om te voelen dat je leeft. Echt leeft. Het is verslavend.

Schuin achter me kruipt de kleine vallei de bergen in. Ingeklemd tussen steile bergwanden. Vlakbij zee staan een paar palmbomen. Daarachter kronkelt een dunne strook groen met het vrijwel uitgedroogde beekje mee omhoog. Nergens is iemand te bekennen.

Het stenen pad waarover ik hierheen ben gelopen, vorkt de vallei in. Ik kijk op mijn horloge. Kwart voor twaalf. Als ik mezelf twee uur de tijd geef om te kijken of ik via deze vallei terug kan keren, heb ik voldoende marge. Dan moet ik voor zonsondergang weer in de bewoonde wereld terug kunnen zijn.

 

Het mooie stenen pad is verworden tot een stoffig, kronkelend bergpaadje. Onder me valt de rotswand steil de diepte in. Ik zie er nu af en toe, tussen de mangobomen en bananenpalmen, een beetje water glinsteren. Boven me zweeft een vogel moeiteloos in de thermiek. Door mijn hoofd zweven flarden zeiltocht.

 

Opeens valt de wind volledig weg. We zitten in de luwte achter de bergen van het eiland San Nicolau. Nog 12 mijl naar Tarrafal, de ankerplaats. Ik had gerekend op nog een dikke twee uur zeilen. Het gaat langer duren. Ik vind het prima. Als de wind zich achter de bergen niet vertoont, kan ik vanavond rustig slapen. In tegenstelling tot de afgelopen nacht bij Boa Vista.

 

De zon is drie kwartier geleden onder gegaan. Het is volledig donker. Ik kijk op de kaart op mijn Ipad. Nog vijf mijl en dan zou ik de zuidpunt van San Nicolau moeten kunnen ronden. Inmiddels geeft de windmeter 34 knopen aan – windkracht 8. Terwijl ik met mezelf discussieerde over de vraag of een echte zeiler voor de laatste 12 mijl de motor aan zet, begon de wind alweer toe te nemen. Mijn stormabonnementje loopt gewoon door.

Ik had het kunnen weten. Het snel afkoelende eiland. De niet afkoelende zee. Na een zonnige dag zal de afgekoelde lucht kort na zonsondergang van de bergen af komen stormen. Precies zoals dat nu gebeurt.

Ik heb er nu geen zin in. Ik ben moe.

 

Manische depressie. Daar heeft het wel iets van weg. Het ene moment schreeuw ik het letterlijk uit van genot. Het volgende wil ik maar een ding: niet op de boot zitten.

 

Ik kijk nog eens goed op de kaart. De ondiepte aan de noordwest kant van Boa Vista begint zo’n halve mijl ten oosten van me. Niet vreemd dus dat ik de golven daar zie breken. Hiervandaan ziet het er spectaculair uit. Zo klinkt het ook. Zelfs op deze afstand.

Schuin voor me ligt de pier. Hij verdwijnt regelmatig in een grote witte watermassa. Ongeveer een mijl ten westen daarvan zie ik een vrachtschip voor anker liggen.

 

‘The swell was terrible on the south-side of the island. I would recommend anchoring north of the island, just below the breakwater.’

Thomas is gisteren met zijn boot uit Boa Vista in Sal aangekomen. Hij helpt me nu het ankerbeslag weer op de boeg te bevestigen.

‘Two days we were rolling around behind our anchor. It was pretty lousy. If I ever go back, I think I’d try anchoring to the north of the small island, behind the breakwater, instead of to the south.’

Ik draai ook de laatste bout stevig vast. Eindelijk is de boot weer vaarklaar. Ruim een week heeft het geduurd. Eindeloze telefoonsessies met watersport winkels in Nederland, de Kanarische Eilanden en Sao Vicente (een van de Kaapverdische eilanden). Steeds weer zou de nieuwe “drive belt” voor de autopilot morgen worden verstuurd. Steeds weer gebeurde dat niet. Vrijdagavond 3 januari had ik hem binnen. Een dag later had ik de autopilot weer helemaal genezen.

Het repareren van het ankerbeslag had meer voeten in de aarde. Vier keer werd het op de boot afgeleverd met de mededeling dat het “tout fiesch” was. Drie keer ben ik teruggegaan naar de werkplaats van de metaalbewerker. Pas de vierde keer was het echt in orde.

 

Mijn blik glijdt langs het ankerbeslag dat nu weer keurig recht op boeg is gemonteerd. Ongeveer anderhalve mijl daarachter ligt de ingang van de haven van Sal Rei op Boa Vista. Het water vlakbij de pier is een woeste witte massa. Iets ten westen van de pier wordt het wit onderbroken door een stuk blauw. Vlak daarnaast plegen de golven zelfmoord op de rotskust van het kleine eilandje voor Sal Rei.

De Kairos wordt weer opgetild door een golf. Het lijkt alsof ze steeds hoger worden. Zes, zeven meter, schat ik ze nu. Vanaf deze hoogte zie ik het duidelijker. Het stuk waar de golven niet breken is misschien honderd meter breed. Dat is te weinig. Een foutje en ik zit of tussen de brekers, of op de rotsen van het eilandje.

De golf rolt door. We zakken weg in het dal. De haven, het eilandje, het vrachtschip - alles om me heen verdwijnt. Er is alleen een golf voor en een achter me.

Ze worden nu echt groter. Ik check weer of mijn lifeline goed vast zit.

 

Met windkracht vier in de rug glijdt de boot heel ontspannen naar Boa Vista. Vanochtend heb ik een beetje gelezen en over het water getuurd. Wat een genot om weer te zeilen.

Een uur geleden heb ik mezelf getrakteerd op een uitgebreide lunch. Een sla van tomaten, paprika, walnoten en feta. Vervolgens twee tosti’s. Als toetje een bakje vruchtenyoghurt.

Rustig zoemt de autopilot naast me. Af en toe klotst het water zachtjes tegen de romp. Metershoge golven, huilende wind, briesend water, totale duisternis, het gevecht tegen de vermoeidheid, blaren van het sturen – de herinneringen aan de oversteek met Marc lijken onwerkelijk.

 
Weer wordt de boot door een golf opgetild. Aan bakboord, pal ten oosten van me, zie ik een golf door de ondiepte worden opgestuwd. Alsof Neptunus een enorme waterballon opblaast. Steeds verder zwelt hij aan. Dit soort golven associeer ik met Hawaï, niet met Boa Vista.

Ik kijk op de dieptemeter. Zestig meter. Een stuk meer dan de tien meter van de ondiepte ten oosten van me. Hier zou ik veilig moeten zijn.

Schuin voor me is alleen nog de mast van het vrachtschip te zien. Terwijl we uit het dal van de golf rijzen, verschijnt de rest van het schip weer. Nu pas herken ik het. Het is het vrachtschip dat vanochtend, tegelijkertijd met mij uit Palmeira vertrok. Vreemd dat het hier, buitengaats, voor anker is gegaan.

Het geluid van de brekende golven in de verte vergezelt de boot al een tijdje. Het klinkt als een soort geroezemoes. Plotseling wordt de volumeknop opengedraaid. Het geluid komt van vlakbij. En niet van bakboord, waar de ondiepte is. Het komt van stuurboord. Mijn hoofd schiet naar rechts. Een paar honderd meter ten westen van me schuimt een omgeklapte golf nog na.

Verdomme! Dit klopt niet. Snel trek ik de Ipad uit het opbergvak. Ik kijk op de kaart. Nee, daar is geen ondiepte. Het is er zelfs dieper. Daar horen de golven niet te breken. Dit is niet goed. Schuin voor me rijst het vrachtschip weer uit een dal op.

Nu begrijp ik het. Het is te gevaarlijk om de haven in te varen. Daarom ligt hij voor anker! Ik kijk nog eens extra goed om me heen. Aan stuurboord zijn de golven groot, maar ik zie ze niet breken. Die golf net moet een uitzondering zijn geweest. Maar het kan snel de regel worden. Ze komen uit het noorden. Ik vaar zuidwest. Aan de zuidkant van het eilandje zou het veilig moeten zijn. De vraag is alleen of ik daar veilig kan komen.

Thomas’ tip, de noordkant onder de pier, is uitgesloten. Ik besluit mijn koers aan te houden tot ik een halve mijl ten westen van het eilandje ben. Dan kan ik zien of er brekers op mijn “pad” zijn. Mocht dat zo zijn, dan zit er niks anders op dan de veilige diepte van de oceaan op te zoeken. Dan moet ik koers zetten naar San Nicolau. Dat is nog eens een kleine 100 mijl; net wat anders dan het ontspannen dagtochtje dat ik in gedachten had.

 

Ik sta stil, haal de rugzak van mijn schouders en trek de waterfles eruit. Na een paar slokken draai ik de dop weer dicht en stop de fles terug in de rugzak. Ik kijk omhoog. De vogel lijkt stil te hangen. Hoog boven mij. Boven de vallei. Misschien kan hij de Kairos zien. Rustig dobberend achter haar anker. Alsof de natuur zich nooit onredelijk gedraagt.

Misschien is dat wel het geheim. Redelijk of onredelijk bestaat niet. De natuur is. Ik kan er van vinden wat ik wil, maar het verandert niets. Ik stel me bloot aan haar grillen. Ik moet ze dus ook accepteren.

 

Ik zet de autopilot uit en ga achter het wiel staan. Mijn blik glijdt naar links. De aanblik van de aanzwellende en vervolgens brekende golven is betoverend. Een Kaapverdische Lorelei. Levensgevaarlijk. Ik trek mijn blik er van af; ik moet me concentreren op het veilig binnenvaren van de ankerplaats.

Aan stuurboord gaat alles goed. Geen brekers. Het eiland is nu vlakbij. Anderhalve mijl ten zuidwesten ervan ligt een rif. Ik zie de witte watermassa duidelijk schuin voor me aan stuurboord. Pal voor me, tussen het eiland en het rif, lijken de golven groot, maar ik zie ze niet breken.

Ik moet nu beslissen.

Het moet kunnen.

Een golf tilt de boot op. Met 8,5 knoop surft de boot er af. Aan bakboord breken de golven op het eilandje. Aan stuurboord zie ik het schuim van de op het rif brekende golven voorbij glijden. Weer tilt een golf de Kairos op. Sneller en hoger dan tot nu toe. Het voelt alsof de golf elk moment kan breken.

Maar het gaat goed.

De golven worden kleiner. We komen in de luwte. Het is nu veilig. Over tien minuten lig ik rustig voor anker.

 

Ik ben nu vlakbij de zuidpunt van San Nicolau. De boot gaat steeds schuiner. Ik heb de kraag van mijn zeiljas tot de rand dicht geritst. Waterslierten slaan in mijn gezicht. De meter tikt nu regelmatig 37 knopen aan. Dat is teveel. Ik moet reven.

Ik ben moe. Meer dan een uur heb ik de afgelopen nacht niet geslapen. Boa Vista staat met stip op 1. Allerlulligste ankerervaring. Die veilige luwte, die was er niet. Harde wind van voren, grote golven van achter. Ze braken net niet, maar tilden de boot steeds weer op en duwden hem naar de kust. Vervolgens werd de boot door de wind weer teruggeduwd. Naarmate de nacht vorderde, ging het anker meer krabben. De afstand tot de catamaran achter mij slonk. Om half zes ’s ochtends begon het gevaarlijk te worden. Als ik te lang zou wachten, zou de Kairos tegen de catamaran aan kunnen klappen.

Er moest iets gebeuren.

Opnieuw ankeren leek me gevaarlijker dan wegvaren. Een kwartier later had ik het anker gelicht. Navigerend op de Ipad probeerde ik weer veilig tussen het rif en het eilandje naar open zee te varen.

Het lijkt dagen geleden, maar was vanochtend. De hele dag heb ik prachtig gezeild. Inmiddels ben ik vlakbij de bestemming. In gedachten lag ik al voor anker. Koud biertje, even snel wat noodles opwarmen, en dan heerlijk slapen.

Het zit er niet in.

Mezelf goed vasthoudend, kruip ik door de sterk hellende kuip naar de lier. Ik haal de schoot uit de klem en hou hem stevig aangetrokken. Terwijl ik de schoot met mijn rechter hand onder spanning houd, klim ik achter het wiel.

Met een dreun klapt de boot op een golf. Een watergordijn slaat me in mijn gezicht. Ik knipper het water uit mijn ogen. Met mijn linker hand trek ik de reeflijn van de rolfok uit zijn klem. Dan laat ik de schoot voorzichtig vieren. Steeds verder. De genua klapt woedend in de wind. Hoe lang voordat hij scheurt? Zo snel mogelijk trek ik de reeflijn binnen. Als er nog maar een klein stukje zeil over is, zet ik de lijn vast in de klem. Vervolgens klim ik weer naar de lier en trek ik het overgebleven restje genua strak. De boot maakt weer snelheid. Hij ligt nu veel rechter. De autopilot hoeft niet meer zo hard te werken als net. Alles is weer onder controle.

De natuur is nog steeds boos. Maar de boot geniet. Ze spuit door het water, lijkt te kirren van genot. We voelen het allebei.

 

De natuur is almachtig. Nu eens verlicht despoot, dan weer tiran. Ik kan alleen maar reageren op haar grillen. Ik - niemand anders. Vluchten is onmogelijk. Maar zolang ik mijn hoofd erbij hou, kan ik haar aan.

 

Ik lik het zout van mijn lippen. Het smaakt goed. Dat biertje en die noodles kunnen nog wel even wachten.

 

Ik sta stil en luister. Niets. Helemaal niets. Perfecte stilte. Ik was vergeten hoe dat klinkt. Boven me hangt de vogel nog steeds onbeweeglijk in de helder blauwe lucht. Het is iets koeler. Beneden me kronkelt de berg de diepte in, naar zee. Verspreid over het diepe blauw liggen korte, dunne streepjes wit.

Noordoost. Twintig knopen schat ik. Ik mis het alweer. 

Palmeira

05-01-2014 17:13

Een groot deel van de mensen die net nog op straat stonden heeft zich nu in de woonkamer verzameld. Net als de buitenkant van veel huizen in Palmeira zijn ook de muren hier binnen fel gekleurd. De keuken waar ik vanaf mijn bank op uitkijk is mintgroen. De woonkamer knaloranje. Alsof ik tijdens een EK in een door het Oranjevirus gevelde Hollandse volksbuurt ben beland en iedereen elk moment luidkeels Hup Holland Hup kan gaan scanderen.

Maar dit feest heeft niets met het Nederlands elftal te maken. Een vriendelijke dame heeft mij net uitgenodigd om binnen nog even een drankje te drinken. Vlak daarvoor had ze haar zoons bevel gegeven de enorme boxen die voor haar deur op straat stonden naar binnen te brengen. De muziek werd uit gezet. De after-after party was voorbij.

Het is een uur of tien ’s avonds. De tweede dag na oud en nieuw. Drie dagen heeft het feest nu geduurd. Op 1 januari liepen de laatste feestgangers nog om negen uur ’s ochtends door het dorp. De dag daarna was het niet anders.

Er zijn twee kampen, is me inmiddels uitgelegd. Het Superbock kamp en het Strela kamp. Elk biermerk sponsorde zijn eigen feest. Het ene op het “feestterrein” tussen de speciaal daarvoor neergezette containers, het andere in de dorpskroeg. Je kocht een kaartje en verzekerde je daarmee van drie dagen drank. Nu – op de laatste avond – werd de overgebleven drank op straat opgedronken.

Tijdens de after-after party omhelsde iedereen iedereen. Er werd met levendige gebaren gepraat en veel gelachen. Hier en daar struikelden mensen over hindernissen die er niet waren en werden volle drankglazen door onhandige bewegingen omgestoten. Sommige stelletjes waren verwikkeld in voorspel dat meestal achter gesloten deuren plaatsvindt.

Op een tafel voor het huis van mijn gastvrouw stonden twee enorme emmers. Een met Caipirinha.  En een met “grog”, een soort honingrum. Achter de tafel stonden enorme hoeveelheden lege Superbock flesjes.

‘Martini?’ De mater familias heeft net een onaangebroken fles Martini Bianco opengetrokken. Zonder op antwoord te wachten schenkt ze mijn glas in.

‘Un poco,’ zeg ik glimlachend, terwijl ik mijn Spaans nog met gebarentaal probeer te ondersteunen.

Maar Spaans is Creools noch Portugees – de twee talen die hier worden gesproken. Het glas wordt tot de rand volgeschonken. Dan wordt de fles op tafel gezet.

Een minuut later is hij leeg. Elk van de vijf zonen van de vrouw des huizes houdt een tot de rand gevuld glas mierzoete Martini vast.

Flavio, de naast mij zittende zoon, stoot met een brede grijns zijn glas tegen het mijne.

‘Toet fiesch!’ roept hij (althans dat versta ik). De twee woorden waarmee iedereen hier aangeeft dat “alles cool” is.

‘Toet fiesch!’ bevestig ik.

Behoorlijk vies, denk ik terwijl ik een slok neem. De vijfde klas middelbare school. Dat zal de laatste keer zijn geweest dat ik dit spul heb gedronken. Zelfs toen vond ik het niet lekker.

Ik kijk naar links. Oma lacht me bemoedigend toe. Op haar schoot ligt inmiddels een van haar kleinkinderen te slapen. Ik probeer een gezicht te trekken waarvan ik me voorstel dat het hoort bij een Martiniliefhebber. Oma steekt een duim naar me op en draait zich dan naar een van haar schoondochters.

Ik bekijk haar nog eens goed. Oma. In zekere zin maakt dat mij een opa. Zonder nageslacht weliswaar. Maar wel ongeveer dezelfde leeftijd – halverwege de veertig. Ik zonder kinderen. Zij met vijf zoons, drie dochters, vijf schoondochters, drie schoonzonen, en de populatie van een middelgroot kinderdagverblijf aan kleinkinderen. Twee verschillende werelden.

Net als mijn normale leven in Nederland en mijn nieuwe leven als zeiler.

Carrière maken. Geld verdienen. Of als een zwerver de wereld rondtrekken. Is het een beter dan het ander? Hoe meet je de kwaliteit van een leven?

Ik geloof dat het ergens in de jaren zestig of zeventig was dat een Franse speleoloog zichzelf twee maanden in een volledig van het daglicht en de buitenwereld afgesloten grot opsloot. In zijn perceptie kroop de tijd. Na twee maanden dacht hij dat er pas een was verstreken. Relativiteit, maar dan anders. Hoe minder (intense) ervaringen je beleeft, hoe langzamer de tijd verstrijkt.

Mijn oversteek van Gran Canaria naar Cabo Verde zal ik nooit vergeten. Een soort niet in de tijd te definiëren supermassa aan ervaringen. Ik word er steeds weer naar teruggeflitst.

Oma draait zich weer naar me toe. Snel neem ik een grote slok uit mijn glas. Zie ik een lichte argwaan in haar donkere ogen?

Haar kleinzoon wordt wakker en wil weer naar zijn moeder. Een van de vrouwen in de kamer loopt naar Oma toe. Mijn redding.

Moeiteloos surft het enorme beest met de golf mee. Vlak onder het in zonlicht glinsterende wateroppervlak. Het is bijna alsof de walvis de golf meeneemt, en niet andersom. Door het kristalheldere water kunnen we hem goed zien. Niet meer dan vijf meter van ons vandaan. Hij zal net iets groter zijn dan onze boot. Samen met een paar vrienden escorteert hij ons nu al een half uur. Een erewacht tijdens de eerste mijlen van de laatste honderd naar Cabo Verde.

‘Godverdomme!’ De stem van Marc. Maar het is Marc niet. Dat heb ik nu al vaak genoeg vastgesteld.

‘Drie kilo aardappelen,’ zegt de vrouw.

Dan hoor ik weer de stem die alleen maar onverstaanbare woorden murmelt. Ook nu kan ik de woorden niet goed verstaan.

Ik hoor de stemmen echt. Heel duidelijk. Sommige komen van buiten, uit het water dat vlak langs mijn oren suist, aan de andere kant van de wand waar ik tegenaan lig. Sommige komen uit de boot.

Zou het zijn omdat ik nu al vier dagen niet heb geslapen? Ik kan het me niet voorstellen. Ik voel me scherp, heb niet het idee dat ik niet meer helder kan nadenken. Marc hoort ze ook. Net als ik, wanneer hij in zijn kooi ligt. Hij heeft wel geslapen. Misschien is het die wonderlijke gewoonte van het menselijk brein om stimuli aan te vullen en te transformeren naar bekende patronen. Zonder die eigenschap zou de katholieke kerk het met heel wat minder wonderen moeten doen.

‘Ik wil niet,’ jengelt de kinderstem weer eens.

Flavio port me vriendelijk in mijn zij en gebaart dat ik niet zo bescheiden hoef te doen met de drank. Hij wijst naar zijn lege glas: zo moet het!

Terwijl ik met zo goed mogelijk gecamoufleerde tegenzin mijn glas weer aan de lippen zet, staat Flavio op. Hij verdwijnt de keuken in. Vlak daarna verschijnt hij met een fles in zijn hand. Ouzo, staat er op het etiket. Hij gebaart dat mijn glas leeg moet, en rap wat.

Vriendelijk weigeren is geen optie. Het zou het equivalent van een rochel in het gezicht van mijn gastheren en –vrouw zijn. Het kon erger – gelukkig is de voorraad Martini op.

Wat Wilhelmina met het vingerbadje kon, moet ik met de Martini kunnen. In een grote teug verdwijnt de suikerige drank in mijn maag.

Flavio draait de dop van de fles en gebiedt mij mijn glas op te houden. Een dikke, melkachtige substantie vloeit tergend traag mijn glas in. Vlak voordat mijn glas dreigt over te lopen, trekt Flavio de fles terug. De broers volgen. Ook deze fles is nu leeg.

Flavio maakt me in een combinatie van gebaren en Portugees duidelijk dat we nu zijn overgestapt op zelfgemaakte drank. Een specialiteit van Oma. De glazen worden geheven. Voorzichtig neem ik een slok. Een soort advocaat. Niet zo erg als de Martini, maar ook dit wordt een behoorlijke uitdaging.

Vragend kijken de broers en Oma me aan.

‘Multo bon!’ zeg ik, terwijl ik een duim opsteek naar Oma.

Het afgelopen half jaar in Nederland had net zo goed twee maanden kunnen zijn. Tevergeefs zoeken naar een interessante opdracht als interimjurist. Ik had weliswaar daglicht en contact met de buitenwereld, maar was toch een beetje holbewoner.

Ik knijp met mijn ogen. Het helpt niet. Ik kan de kompaskoers niet van de digitale meter onder de buiskap aflezen. Mijn ogen werken nog maar half. Ze willen het loket sluiten. Maar ik heb nog minstens een half uur te gaan voordat mijn uur wacht erop zit. Ik schud mijn hoofd wild heen en weer terwijl ik een briesend geluid maak. Alsof ik een monster nadoe voor mijn kleine neefje. Op de een of andere manier verdrijft het de slaap. Heel even maar. Een paar minuten later schrik ik op, nadat mijn hoofd kort tegen het stuurwiel tot rust is gekomen.

Wonderlijk; overdag is mijn lichaam zo vergevingsgezind. Zelfs na vier nachten vrijwel niet te hebben geslapen, voel ik mij overdag uitgeslapen en fit. De eerste paar nachten had ik ’s nachts weinig moeite wakker te blijven. Maar nu wordt er zodra het donker is, een knop omgezet. Dan is mijn lichaam zich opeens pijnlijk bewust van het slaapgebrek. Elke wacht is een gevecht tegen de slaap. Als Marc de wacht overneemt, lukt het vervolgens niet te slapen. En zodra er weer licht gloort in het Oosten, is mijn lichaam het slaapgebrek weer vergeten.

Het maakt de nachten extra intensief. Het voelt buitenwerelds om in de diepzwarte nacht met een kleine zeilboot op de oceaan te varen. Overdag heb ik al het gevoel dat ik alleen op de wereld ben. ’s Nachts lijkt ook de wereld verdwenen. Er is niets meer dan het fluiten van de wind, het sissen van de golven, de verlichte masttop die als een uitgestrekte vinger van links naar rechts zwaaiend naar de sterren wijst, en ik.

Chronos en Kairos. “Normale”- en gevoelstijd. Je kan honderd worden, terwijl het voelt alsof je nauwelijks kind af bent. Elke dag hetzelfde. Dag in dag uit. Jaar in jaar uit. Die jaren tellen niet. Of je kan jezelf onderdompelen in nieuwe ervaringen. Dan kan zelfs een kort leven heel lang zijn.

Een optelsom dus van ervaringen. Dat lijkt me de maatstaf van levenskwaliteit. Hoe je die ervaringen opdoet maakt niets uit. Als je ze maar opdoet.

Ik neem weer een slok van Oma’s huisdrank. De broers hebben hun glazen al op. Ondanks de afkeurende geluiden van Oma zijn ze, luid grappen makend, alweer op zoek naar een nieuwe fles drank.

Santa Maria, Cabo Verde

01-01-2014 00:00

Vanochtend heb ik de “aluguer” naar Santa Maria, in het uiterste zuiden van Sal, genomen. Daarmee heb ik de authentieke Afrikaanse sfeer van “mijn” dorpje Palmeira, verruild voor de dertien-in-een-dozijn-sfeer van een resort-oord dat alleen in locatie verschilt van duizenden klonen wereldwijd.

Overmacht. Heel Palmeira ligt namelijk nog voor apengapen. Toen ik vanochtend om half tien met mijn dinghy naar de wal voer, liepen een paar laatste oud&nieuw feestgangers nog waggelend door de straten. Alle horeca was inmiddels gesloten. Afgezien van die paar diehard feestvierders, lag de rest van het dorp inmiddels zijn roes uit te slapen. In Palmeira was geen plek te vinden waar ik met een kop koffie voor mijn neus rustig mijn blog kon schrijven. Dan maar naar Santa Maria.

Voor me op het strand wapperen de vlaggen van Club Mistral. De NO passaat doet het vandaag eindelijk wat rustiger aan. Een bescheiden 3 a 4 Beaufort, schat ik. Windsurfplanken liggen vlakbij de vloedlijn. Achter me bestellen mensen met plastic bandjes om hun pols cappuccino’s aan de over zee uitkijkende bar. De bar hangt vol flessen sterke drank. Ik vraag me af hoe laat de gemiddelde all-inclusive gast hier op cocktails overgaat.

Zelf ben ik nog steeds dronken van de ervaringscocktail van de afgelopen week. Intense beelden en geluiden klotsen door mijn hoofd. Sommige lijken te heftig om ooit werkelijkheid te zijn geweest. Alsof het herinneringen zijn aan een door drugs opgeroepen schijnwereld. Andere zijn precies zoals ik het me had voorgesteld. 

*

Een vrijwel vlakke zee, hoogstens 5 knopen wind. Te weinig om te zeilen. Onder ons werkt de motor ons in zijn strakke ritme door het water. Al sinds ons vertrek vier uur geleden uit Las Palmas.
De dag voor vertrek was ik er al bang voor. De voorspellingen gaven al dagen aan dat we de eerste paar dagen weinig wind zouden hebben. Met pech niet genoeg om goed te kunnen zeilen. Ik geef het nog een uur. Dan gaat de motor uit. We kunnen niet blijven motoren. Dan maar een hele lange, rustige oversteek naar de Kaapverden.

*

We zitten heel ontspannen in de kuip. Alweer ruim een dag en nacht onder weg. Gelukkig nam de wind na viereneenhalf uur motoren gisteren wat toe. Sindsdien zeilen we.

Ik lees, met een kussen in de rug, een boek. Naast ons sist het van de boot afspattende water zachtjes. Marc tuurt over de eindeloze blauwe pannenkoek waar wij het middelpunt van vormen.

De autopilot stuurt ons onverstoorbaar naar de Kaapverden. We maken prima tempo, zo’n 6 knopen. Marc vraagt me of ik tijdens dit soort overtochten af en toe ook zelf achter het wiel ga staan. Ik zeg hem dat dat zelden gebeurt. Als je niet “op zicht” kan navigeren, kan het behoorlijk vermoeiend zijn om zelf te sturen. Er is geen vuurtoren of ander ijkpunt waar je op kan “mikken”. Je hebt alleen het kompas. Continu de kompaskoers in de gaten houden terwijl je stuurt, zeilt niet erg ontspannen, vertel ik Marc.

*

De nacht is gitzwart. Een dik zwart kleed dat als een tent over de boot is gespannen. Aangevreten door motten die een onvoorstelbare hoeveelheid piepkleine gaatjes in het kleed hebben gesnoept. Speldenprikjes waardoor helder wit licht fonkelt. Te weinig om de woeste zee om me heen te kunnen zien.

Horen, daarentegen, kan ik hem wel. Regelmatig klapt er vlak naast me een grote golf om. Het klinkt als een gevaarlijk beest dat briesend in mijn nek hijgt. De wind fluit om mijn oren. Marc is net de kajuit in verdwenen. Hopelijk lukt het hem wel om even wat slaap te pakken.

Na tweeënhalve dag nam de wind de afgelopen avond opeens stevig toe. We hebben het stormzeil op de kotterstag gezet. Het grootzeil hadden we zondag al vrij snel gestreken; aangezien de wind pal van achter komt, varen we op alleen de genua vrijwel net zo hard. Het grootzeil voegde dus weinig toe. Aangezien het bovendien veel minder makkelijk kan worden gereefd dan de (rol)fok, hebben we al snel besloten het grootzeil niet te gebruiken.

Ik kijk op de windmeter. Veertig knopen. Windkracht negen. Storm. De boot vaart prima op het stormzeil. Met ruim zes knopen, soms zeven, schieten we door het water. De autopilot stuurt ons moeiteloos door het duistere golvenlandschap.

Op mijn horloge zie ik dat het half twee ’s ochtends is. Over anderhalf uur lost Marc me af. Dan kan ik weer een poging doen in slaap te vallen. Dat is niet makkelijk. Tot nu toe voor mij zelfs onmogelijk. De hoeveelheid lawaai die een zeilboot varend, laat staan varend in een storm, produceert is onvoorstelbaar. In kasten schieten blikjes, flessen, gereedschap en weet ik wat nog meer met harde klappen tegen elkaar en de kastwanden aan. Water suist, met wat klinkt als een aan de lichtsnelheid grenzend tempo, op een paar centimeter afstand van mijn oren langs de romp van de boot. In het suizend water lijken stemmen te zwemmen. Stemmen van mannen, vrouwen, kinderen. Ze praten, lachen, roepen. Soms denk ik ten onrechte dat het Marc is die me roept.

Het is niet alleen het lawaai. In mijn kooi word ik van links naar rechts, en onder naar boven gekatapulteerd. Het ene moment lijkt de boot in 2 seconden van 0 naar 100 te accelereren. Het volgende in 1 seconde van 100 naar 0 af te remmen. Rustig een uiltje knappen is er niet bij.

*

We varen alweer zo’n twaalf uur zonder autopilot. Vroeg woensdagmiddag hield hij het voor gezien. De storm van dinsdagnacht heeft hem waarschijnlijk het graf ingejaagd. Vanaf woensdagochtend begon de autopilot steeds harder te piepen en kraken. Uiteindelijk maakte hij alleen nog maar heel veel lawaai. Sturen deed hij niet meer.

Dat is geen goed nieuws. Dat dingen kapot gaan tijdens het zeilen hoort er bij. De meeste van die zaken zijn niet zo cruciaal dat het uitvallen daarvan serieuze consequenties heeft. Dat geldt niet voor de autopilot. Als die het niet doet, moet er iemand achter het wiel staan. Niet af en toe, maar op elk moment. Dag en nacht. Zo lang de tocht duurt. Dat is behoorlijk pittig.

Overdag ging het prima. Ik nam twee uur wacht, dan Marc. Nu de autopilot het tijdelijke voor het eeuwige had verruild, hadden we geen keus. Om de beurt moest een van ons sturen. We vonden het eigenlijk wel mooi. De zee was inmiddels vrij ruig. Golven rezen als enorme diepblauwe watermuren achter ons op. Het ene moment leek het alsof ze ons zouden verpulveren. Het volgende werden we rustig opgetild. Meteen daarna surften we met een paar knopen extra snelheid van de golf af. Voor ons rolde de golf onverstoorbaar door. Minstens twee keer zo hard als wij. Voor hem was de reis naar de Kaapverden een lachertje. Achter ons tilde de volgende golf ons alweer op.

Om midden op de Atlantische Oceaan achter het wiel van een zeilboot te staan die met acht knopen van een briesende, schuimende golf afsurft, terwijl het zonlicht om je heen als strooigoud op het water fonkelt, is onbeschrijfelijk. Misschien was het kapotgaan van de autopilot wel een zegen, bedacht ik me terwijl ik achter het wiel stond.

We surfen weer van een grote golf af. Ik zie hem nauwelijks. Het is te donker. Toch voel ik me veilig. De boot kan deze ruige omstandigheden prima aan en ik heb het gevoel dat ik alles onder controle heb. Het sturen op het kompas is niet zo lastig als ik had gedacht. Het ene moment denk ik niets, “ben” ik  de boot, de zee, de wind. Het volgende beweeg ik ongehinderd door de tijd.

Marc en ik zitten in het populaire restaurant in de marina van Las Palmas.  Het is negen uur ‘s avonds. De tent begint vol te lopen met hippe locals. De vroegsten onder hen schuiven ruim een uur na ons pas aan tafel.

Twee grote ribeyes, een stevige rode wijn; voor Marc de door de charmante serveerster aangeraden yoghurt met honing, en voor mij de brownie. Ons galgenmaal, zeggen we grappend. We hebben net besproken hoe perfect de timing van Marc is. De afgelopen weken had de wind heel hard uit het Zuiden geblazen. Nu is de passaat weer terug en belooft de voorspelling ons een week rustig zeilweer. Dat Marc niet zoveel zeilervaring heeft, moet geen enkel probleem zijn.

Vreemd idee, dat wij ooit in een wereld met ribeyes en charmante serveersters rondliepen. Nu is er alleen die woedende natuur, de boot en wij.

Vroeg in de avond ging het weer stormen. Weer wilde ik de stormfok hijsen. De eerste poging mislukte. De schoot was om de lier in de knoop geraakt. Er was maar een manier om de strak gespannen schoot weer los te krijgen: doorsnijden. Een half uur nadat ik de schoot had doorgesneden en we de knoop hadden ontward, deden we een tweede poging. Weer ging het mis. Een aantal van de leuvers (de koperen ringen waarmee de fok aan de stag wordt bevestigd) schoot uit het zeil los. Het stormzeil was onbruikbaar geworden. Al met al was ik zo’n drie kwartier in woest weer op het alle kanten op vliegende voordek bezig geweest. Ik was kapot.

Het was alsof we in een slechte rampenfilm terecht waren gekomen. Eerst die storm van gisteravond die er volgens de voorspellingen helemaal niet had moeten zijn. Toen het kapot gaan van de autopilot waardoor het stuurwiel de resterende 3 of 4 dagen van de reis nonstop door ons bemand zou moeten worden. Toen een tweede storm. En vervolgens het wegvallen van de mogelijkheid om een stormzeil te hijsen.

Even wist ik niet hoe we verder moesten. Zo’n tien minuten hebben we motorend met de wind meegevaren. Zonder zeil. Om ons heen spatten brekers woest uit elkaar. Onder mijn zeilpak waren mijn kleren inmiddels vochtig – ik geloof dat geen enkel zeilpak bestand is tegen het natte werk op het voordek.

Opeens realiseerde ik me dat het onzinnig was om de motor te gebruiken. Ik moest denken aan wat ik over “stormtactieken” had gelezen. Ik trok aan de stophendel van de motor. De motor stopte. Ik keek op de snelheidsmeter. Geen enkele verandering. Tussen de vier en vijf knopen. “Zeilend” op de mast. Het bleek prima te werken. Het ultieme stormzeil. Gewoon de boot door de storm laten meevoeren; voor de wind en met de golven mee. Geen weerstand bieden aan dat wat vele malen sterker is dan jij. Wonderlijk genoeg voelde het heel veilig. De boot kon de storm prima aan en we voeren de goede kant op. Het enige minpunt was dat we steeds zelf achter het wiel moesten staan. 

*

Het duurt nog een paar uur voordat de maan opkomt. Weer die duisternis met het niets verlichtende licht van die onvoorstelbaar mooie sterrenhemel. Af en toe trekt een vallende ster een spoor van glinsterend zilverpoeder door de hemel.

Mijn ogen blijven maar dichtvallen. Ik kan de meters die de windsnelheid, koers, etc. aangeven niet meer lezen. Het is alsof ik naar en film kijk waar telkens beelden uit zijn geknipt. Het beeld is schokkerig. Ik heb gewoon geen keus. Ik moet mijn ogen regelmatig even dicht doen.

Met een schok word ik wakker. Mijn hoofd tegen het stuurwiel. Ik concentreer me en slaag erin de koers van de meter af te lezen. Ik ben weer veel te ver opgeloefd. Dit gaat niet. Zo wordt het gevaarlijk. Ik moet even liggen. Ik kijk op mijn horloge. Twee uur. Ik draai pas een uurtje wacht.

Het gevecht tegen de slaap is het enige waar ik echt moeite mee heb. Verder vind ik alles prima. Sterker nog, ik vind het fantastisch. Ik heb nog nooit zo mooi gezeild. Ik geniet van de spectaculaire natuur. De metershoge golven. Het sissen en spatten van het zilte nat. Het zonlicht op het water. De windstoten die zich als wegschietende veren in het wateroppervlak aftekenen. De onwerkelijk mooie sterrenhemel. De zonsondergangen waarbij de hemel in brand lijkt te staan. De walvissen, dolfijnen (de Orca die Marc heeft gezien, heb ik tot mijn grote frustratie gemist). Het is geweldig om te merken dat Marc en ik deze, toch uitdagende, omstandigheden met zijn tweeën uitstekend aankunnen. Ik voel mezelf meer “levend” dan ooit. Het is alsof ik alle stimuli met elke porie in mijn lichaam opzuig. Alsof dat is waarom ik nu al vijf dagen met in totaal twee uur slaap toekan. Het geeft me een ongelooflijke dosis energie. Een natuurlijke drug die sterker is dan een synthetische ooit kan zijn.

Alleen die nachtelijke uurtjes. Alleen dan kan mijn lichaam het soms even niet aan.

Ik pak het fluitje dat om mijn nek bungelt. Het fluitje waarmee ik ooit nog floot voor strafcorners en buiten spel, toen ik nog hockeyde in Amsterdam. Bij gebrek aan intercom aan boord, is dit ons communicatiesysteem. Ik blaas er twee keer hard op. Een paar seconden later staat Marc in de opening bij de kajuit.

‘Ik trek het even niet meer,’ zeg ik. ‘Ik dreig in slaap te vallen. Vind jij het goed om nu even een uurtje de wacht over te nemen?’

‘Tuurlijk.’ 

*

De ober pakt mijn lege koffiekopje van tafel. Veel van de surfplanken die net nog op het strand lagen, planeren nu over het azuurblauwe water. Het waait inmiddels wat harder.

Een paar dagen geleden hebben Marc en ik bij de Club Mistral waar ik nu op uitkijk een surfplank gehuurd. Een welverdiende traktatie na al onze ontberingen.

Zaterdagochtend 28 december kwamen we in Palmeira (op het eiland Sal) aan. We hebben snel tussen een paar andere boten geankerd en zijn vervolgens gaan slapen. Op een vrijwel still en nauwelijks bewegende boot. Een onbeschrijfelijke luxe.

Later die ochtend bleek ons anker tussen rotsen beklemd te zijn geraakt en door de windkracht 7 die over de baai raasde volledig krom te zijn getrokken. Ook het ankerbeslag was volledig verbogen. Met hulp van een paar vriendelijke locals lukte het uiteindelijk om het anker los te krijgen en de boot veilig aan de enige vrije mooring in de haven te bevestigen.

Inmiddels is Marc weer terug naar Nederland. Als alles volgens planning gaat (wat natuurlijk zeer de vraag is in landen die er een vrij ontspannen arbeidsethos op na houden), zou eind deze week mijn anker en ankerbeslag weer hersteld moeten zijn en zou ik het kapot gegane onderdeel van mijn autopilot (per vliegtuig) moeten hebben ontvangen. Dan zou ik komend weekend het uiterst relaxte (en – itt tot Santa Maria, waar ik nu dit blog schrijf, volstrekt ontoeristische) Palmeira moeten kunnen verlaten om aan de ontdekking van de andere Kaapverdische Eilanden te beginnen. Hopelijk met iets minder wind en net een tandje minder avontuurlijke “uitdagingen” dan op de oversteek met Marc.

Las Palmas

19-12-2013 11:02

Bijna. Nog drie dagen. De zenuwachtigheid begint aan te zwellen.

 

Elf jaar geleden vloog ik, enkele reis, naar Las Palmas. Ik wilde de oceaan overzeilen. Op de bonnefooi ging ik op zoek naar een boot die bemanning zocht.

 

Ik loop nu waar ik toen ook liep. Ook op de drempel van een grote zeiltocht. Eerst naar de Kaapverden, vervolgens door naar de Carieb. Toen op een half afgebouwde 70 voets boot.  De eigenaar was een Noor halverwege de veertig, die “iets in de import-export” deed. Hij was samen met een vriend die net failliet verklaard was vanuit Noorwegen naar de Kanarische Eilanden gezeild. Bij nader inzien vonden ze dat ze enigszins “onderbemand” waren. Ze besloten dus twee extra bemanningsleden te ronselen: een dertigjarige Kiwi met de bouw van Jerommeke en de woordenschat van een kleuter, en ik.

 

Toen was de aanloop naar de oversteek een aaneenrijging van alcoholische uitspattingen. Elke nacht doken de Noren en de Nieuw Zeelander de kroeg in. Elke ochtend lagen ze in katzwijm op de banken in de kajuit. Hoopjes alcoholische ellende geserveerd op een bedje van afgeleefd nepleer. De boot voorbereiden op de oversteek had weinig zin, vonden de Noren. Waar te beginnen? Hij was nog lang niet af. Maar af genoeg om ermee van Noorwegen naar de Kanarische Eilanden te zeilen. Dan moest de oversteek ook kunnen. Als we voldoende voorraden aan boord hadden, zou alles goed komen.

 

Twee dagen voor het geplande vertrek kreeg ik iedereen met veel moeite zo ver dat we voorraden voor de oversteek gingen inkopen. Als er maar genoeg bier werd ingekocht, vonden zij het verder allemaal wel best.

 

Nu ben ik al ruim twee weken bezig de boot – mijn volledig afgebouwde en uiterst zeewaardige 34 voets boot – klaar te krijgen voor de oversteek. Nieuwe antifouling, nieuwe laag was. Alle apparatuur en materialen nagelopen en waar nodig (onderdelen) vervangen. De zeilen zijn hersteld. Ik heb voor honderden euros aan blikvoer ingekocht.

 

Het laatste puntje op de “to do” lijst was de accu’s. Eergisteren zijn ze vervangen. Daarmee is de boot er (hoop ik) helemaal klaar voor. Nu moet er alleen nog vlak voor vertrek groente, fruit, kaas en yoghurt worden ingekocht. Dan kunnen de trossen los.

 

Die tocht met de excentrieke Noren en Kiwi maakte enorme indruk op me. Het zeilen, het midden op de oceaan zijn in de pure, rauwe natuur vond ik geweldig. Dat er op een half afgebouwde boot met een vrij wonderlijke bemanning werd gevaren, was soms minder.

 

Sinds die tocht droom ik er van om met mijn eigen boot, met mijn eigen vrienden, en op mijn eigen voorwaarden de Atlantische Oceaan over te steken. Nu gaat het dan eindelijk gebeuren. Ik voel me een beetje zoals ik me vlak voor mijn eindexamen voelde. Ik wist dat ik me goed had voorbereid. En toch was ik zenuwachtig.

 

Maar dit is een lekkere zenuwachtigheid. Een heerlijke zenuwachtigheid. Hij voelt als een bevestiging. Een bevestiging van de lol, de spanning, de voldoening die uitdaging met zich meebrengt.

 

Plus ultra!

Gran Tarajal#2

15-12-2013 11:46

Dramatisch. Pure ellende. Een garantie op schade.

 

Ik kon me er nooit iets bij voorstellen. Ik ken de haven van Gran Tarajal alleen als een goed beschut, veilig thuis voor mijn boot. Ik heb gezien hoe de boten erbij lagen bij storm. Niks om me zorgen over te maken. Maar ik had dan ook nooit een storm uit zuidelijke richting meegemaakt.

 

Afgelopen weekend zou mijn boot het water uit gaan. In drie a vier dagen zou er een nieuwe laag antifouling worden aangebracht en zou het polyester van de boot opnieuw in de was worden gezet. 

 

Zou.

 

Er gaan hier dagelijks boten het water in en uit. Niks bijzonders zou je denken.

 

Een gezonde bureaucratie denkt daar anders over. Dit soort beslissingen kan je niet op lokaal niveau nemen. Hier moet je de zwaargewichten van de centrale havenautoriteit in Las Palmas (op het buureiland Gran Canaria) voor inschakelen.

 

Die hebben het dus vrij druk. Vorig weekend was de toestemming nog niet binnen. De boot mocht dan ook niet het water uit.

Maandag begon het weer te veranderen. Het ging harder waaien en de lucht betrok. En… de wind draaide naar het zuiden – iets wat hier zelden gebeurt.

 

De voorspellingen beloofden weinig goeds. De komende 5 dagen zou het gaan stormen. Uit het zuiden. Als de boot niet snel het water uit zou gaan, zou de storm het de komende dagen onmogelijk maken. Dan zou het vanwege de harde wind veel te gevaarlijk zijn.

 

Gelukkig hadden de bureaucraten een goed gevoel voor timing. Maandagmiddag was de toestemming binnen. Bovendien was de wind even gaan liggen. Het moest dus lukken om voor de storm het water uit te zijn.

 

Om vijf uur ’s middags zou het gebeuren.

 

Om tien voor vijf lag ik in de “bak” waar de grote kraan de boot uit zou hijsen.

 

Om half zes meldde de kraanmeneer dat ik nog even een uurtje moest wachten. Hij ging nu effe een bakkie koffie doen. Prima, een uurtje wachten is geen probleem. Als ik vandaag maar het water uit ga. Morgen zou het echt hard gaan waaien.

 

Om zeven uur scheurde kraanmeneer voorbij. Niet in zijn kraan, maar in een heftruck. Kratten vol verse vis stonden op de vork van zijn truck gestapeld.

“No esta possible hoy,” schreeuwde hij me in het voorbijgaan toe. En weg was hij alweer. Daar kon ik het mee doen.

 

Een paar meter verderop waren net twee vissersschepen afgemeerd. Boordevol vers gevangen vis. Die moest zo snel mogelijk de koeling in. Het lossen van de schepen zou zeker nog twee uur duren. Daarna zat de werkdag er op.

 

Een uur later lag ik dus weer op mijn vaste plek in de haven. Nu maar hopen dat het morgenochtend niet te hard waait om de boot naar de kraan te varen en veilig op de kant te zetten.

 

Slapen op zee lukt mij de eerste drie dagen van een tocht zelden. Je moet echt heel moe zijn wil je op een alle kanten op rollende kermisattractie in slaap kunnen vallen. Het is andere koek dan het in een haven liggen. Dat is heerlijk. Dan word je liefelijk door de zacht klotsende golfjes in slaap gewiegd.

 

Maar niet bij stevige zuidenwind in de haven van Gran Tarajal.

 

Ik heb maandagnacht misschien twee uur geslapen. Het was alsof de boot aan een midden op zee liggend ponton was afgemeerd. Alles piepte en kraakte. Het ponton en de boot beukten de hele nacht woedend op elkaar in. De landvasten rukten woest aan de boot. Alles wat loszat, knalde lawaaiig van de ene naar de ander kant van de boot. Ik ook. In mijn kooi.

 

De volgende ochtend was de wind wat afgenomen. Zo moest ik de boot nog wel veilig op de kant kunnen krijgen. Volgens het weerbericht zou het de volgende dag pas echt gaan stormen. Of vandaag eruit, of pas over een kleine week.

 

De storm te water uitzingen, was geen aantrekkelijk vooruitzicht. Een paar boten hadden de afgelopen nacht schade opgelopen. Van een ponton was de verbinding met de wal gebroken. En de komende dagen zou het nog veel harder gaan waaien.

 

Ik moest de boot eruit krijgen.

 

Met de kraan/heftruckmeneer was het snel geregeld. Geen probleem. De Kairos kon er die ochtend nog uit.

 

Terwijl ik bezig was alle extra landvasten lost te maken die ik de afgelopen nacht had gebruikt om de boot op haar plek te houden, kwam de havenmeester langs.

 

Waar ik mee bezig was?

 

Nee, geen sprake van uit het water halen! Veel te gevaarlijk.  Voorlopig is dat verboden. U blijft liggen waar u ligt.

 

Voor dit soort beslissingen was dan weer geen toestemming van Las Palmas nodig.

 

Balend kon ik alle landvasten weer vastzetten. Het zag er naar uit dat ik de komende dagen kon oefenen met het “slapen op zee.”

 

Om vier uur ’s middags ging de wind liggen. De werkdag van de havenmeester zat er al lang weer op. Van acht tot een regeert hij over de haven. Daarna laat hij het rijk aan zijn secondanten, de veiligheidsmensen. De dienstdoende veiligheidsmeneer was bereid mij toestemming te geven als de kraan/heftruckmeneer het veilig genoeg vond.

 

Dat vond hij. Om zes uur stond de boot op de kant. Hallelujah!

 

Die nacht vloot de wind met 35 tot 40 knopen langs de mast (windkracht 8 tot 9). Zo levendig als de boot de vorige nacht was geweest, zo doods was zij nu. Heel plezierig.

 

De volgende dag bleken nog meer boten stevig te zijn beschadigd. Nog eens drie pontons waren gebroken. Golven rolden door de haven. Masten zwiepten wild van de ene naar de andere kant. Ik was geen moment te vroeg de kant op gegaan.

 

Inmiddels ziet de boot er as nieuw uit. Vrijdagmiddag ging de storm liggen. Die avond ging de boot weer te water.

 

Gisteren heb ik groot inkopen gedaan. Zes dozen met eten (voornamelijk blikvoer), 40 liter water, 12 liter lang houdbare melk, 12 liter sinaasappelsap, en 1 liter van de allergoedkoopste sterke drank zijn door de supermarkt op mijn ponton afgeleverd. Inmiddels is alles netjes opgeborgen.

 

Morgen vertrek ik. Eindelijk zeilen! Eerst een klein stukje naar het uiterste zuiden van Fuerte Ventura, Morro Jable. Dan dinsdag door naar Las Palmas. Daar moet ik nog even de accus vervangen. En dan… dan is alles klaar voor de oversteek naar de Kaapverden!

 

Hopelijk zal die allergoedkoopste sterke drank van de supermarkt dan vaak worden gebruikt. Niet voor eigen consumptie, maar voor de vissen - de tijdens de tocht gevangen vissen. Een beetje sterke drank in de kieuwen schijnt de ideale verdoving te zijn voor wild spartelende vissen. Ben benieuwd of de alcohol ook te proeven zal zijn in het feestmaal dat op de vangst zal volgen.

Gran Tarajal

09-12-2013 11:39

 

Het is niet echt. Over een paar dagen is het alweer voorbij. Dan moet ik weer naar huis. Net als de andere passagiers van de Transavia vlucht die mij een week geleden naar de Kanarische Eilanden bracht.

 

Niet helemaal logisch dus om vrijwel al mijn tijd te besteden aan het in optima forma krijgen van mijn boot.

 

Ik ben er helemaal doorheen gegaan. Alles wat geen duidelijk nut had, is weggegooid. Alles is schoongemaakt en opgeruimd. Stagspanners zijn in de olie gezet. Alle lieren heb ik uit elkaar gehaald, grondig schoongemaakt, opnieuw in het liervet gezet en weer in elkaar gezet. Alleen dat kostte me al ruim een dag. En toen nog een halve, omdat ik ontdekte dat ik een paar "piefjes" in vet had gezet, terwijl die nou juist absoluut NIET in het vet mochten worden gezet. Alle lieren moesten dus opnieuw uit elkaar worden gehaald. De piefjes moesten worden ontvet, schoongemaakt, en geolied. En toen moest alles weer in elkaar worden gezet. Zo houd je jezelf lekker bezig.

 

De dinghy is opgepompt en was na twee dagen nog hard. Geen lek. Goed schoongepoetst, weer laten leeglopen en netjes opgeborgen. De buitenboord motor doet het weer. Ook dat kostte me een dag. De nieuwe windmeter is op de top van de mast geïnstalleerd. De dieselmotor is weer klaar voor actie. Ik heb voldoende reserve motoronderdelen ingekocht. Alle stagen zijn gecheckt en in orde bevonden. De zeilen zijn gerepareerd. Ik heb een regenwater-collectie-systeem in elkaar geflanst: een 5 liter waterfles waar de bodem uit is geknipt, kan als een trechter onderaan de giek worden gehangen, tegen de mast aan; uit de opening van de fles loopt een stuk tuinslang naar de watertank. Door het uiteinde van de giek wat hoger te zetten en het grootzeil een beetje te laten zakken, wordt het zeil een grote zak waarvan het laagste punt bij de verbinding tussen de mast en de giek zit.  Zo stroomt het regenwater naar mijn trechter. Met mijn nieuwe systeem zou ik midden op zee bij regen mijn watervoorraad moeten kunnen aanvullen.

 

Ik heb nieuwe gasflessen gehaald. Voldoende om zo’n 2 maanden mee te kunnen koken. Bij de lokale vissers-speciaalzaak heb ik een harpoen gekocht. Van ervaren oceaanzeilers begreep ik dat die erg handig is om met de hengel (die ik al heb) gevangen vissen aan boord te krijgen. Als je de vis vlak voor het binnenhalen niet aan een harpoen of andere spies hebt geregen, schijnt hij vaak van de haak te glippen. Nu zou ik mijn trans-Atlantische dieet dus met versgevangen Dorade en Tonijn moeten kunnen aanvullen.

 

En dan heb ik nog allerlei volstrekt oninteressante pietluttigheidjes aangepakt die ongelooflijk veel tijd kostten. Gillend druk dus. En nog is niet alles gedaan. Vandaag gaat de boot het water uit. De komende dagen wordt het onderwaterschip in een nieuwe laag anti-fouling en het bovenwaterschip in een verse laag was gezet. Verder worden de accu’s vervangen. Eind van de week zou dat allemaal gebeurd moeten zijn. Dan kan de boot weer het water in. Dan nog even blikvoer voor twee maanden en zo’n 50 liter drinkwater inkopen. En dan...

 

Dan ben ik er klaar voor. Eerst de oversteek naar de Kaapverden, ergens in de tweede helft van december. En vervolgens, begin februari, de droom die ik al meer dan tien jaar droom: in mijn eigen boot de Atlantische oceaan overzeilen.

 

Zou het dan echt gaan gebeuren?

 

Ik zit nog in de acclematiseringsfase. Ik ben nu al een week lang met de boot bezig zonder ook maar een mijl te hebben gevaren.Vandaag gaan de trossen voor het eerst sinds maanden los. Een tocht van een paar honderd meter naar de lift waarmee de boot uit het water wordt gehesen. Maar er wordt gevaren. Weer een stap verder in het grote acclematiseringsproces.

 

Langzaam maar zeker groeit het besef dat het echt gaat gebeuren. Een onwerkelijkheid die werkelijk wordt. Heerlijk!

 

 

<< 1 | 2